Fictie

Het woord fictie betekent: fantasie of verzinsel.
Boeken waarin verhalen staan die niet echt gebeurd zijn, noem je fictie.
Boeken over heksen bijvoorbeeld of over kabouters.
Maar ook boeken met verhalen over een klas kinderen en hun meester of over een voetbalelftal dat altijd verliest.
Ook al zouden die verhalen best echt gebeurd kúnnen zijn.
Pas als een boek over oude zeilschepen gaat (hoe die eruit zien en hoe ze gebouwd worden) of over koken (hoe je zelf erwtensoep of boterkoek moet maken) is het geen fictie meer.
Vroeger op school zei de meester al tegen me: jij hebt een levendige fantasie, jij kunt wel schrijver worden.
Dat heb ik gedaan en de boeken die ik schrijf worden fictie genoemd.
Fantasie.
Zelf verzonnen.
Niet echt dus.
Of misschien toch?
Wij hadden vroeger echt een Dafje en mijn opa later ook.

We waren met z’n vijven thuis en ik was het oudste kind.
Ik heb echt twee stoere neven (ze zijn nu in de vijftig en nog steeds ontzettend stoer, dus dat wil wat zeggen) en een tante die heel goed kan breien.
Het was in de winter van 1963 op 1964 echt heel koud met kerst en mijn tante Nel is echt al jaren dood.
Schrijvers verzinnen hun verhalen nooit helemaal zelf.
Er zitten altijd stukjes in die echt zijn.
Je weet als lezer alleen nooit zeker wat echt is en wat niet.
Maar dat maakt niet uit, als het verhaal maar klopt.
Als het maar grappig, spannend of ontroerend is.
In een goed boek komen de personen over wie het gaat vanzelf tot leven.
In een goed gedicht proef je de appelmoes, ruik je het bos, voel je de kou.
In een goed liedje wordt alles echt, dus ome Bert bestaat en tante Trees ook.
Alleen mijn moeder is in het echt aardiger dan in het verhaal en in het liedje, maar misschien zeg ik dit wel alleen omdat mijn moeder dit boek ook gaat lezen.
Met schrijvers weet je het nooit.